Stoornissen


1.     Taalstoornissen (lees meer
2.     Dysfasie. (lees meer)
3.     Meertaligheid bij kinderen (lees meer)
4.     Fonologische stoornissen (lees meer)
5.     Spraak (lees meer)
6.     Gehoor (lees meer)
7.     Leerproblemen en leerstoornissen (lees meer)
8.     Logopedie & tandheelkunde ( lees meer)


Taalstoornissen (lees minder
Taalontwikkelingsstoornissen
Men spreekt van een taalontwikkelingsstoornis (TOS; ook wel: vertraagde spraak- en taalontwikkeling) wanneer een jong kind in zijn spraak en taal duidelijk achterblijft bij leeftijdgenootjes.
Het kind spreekt (nog) niet of opvallend minder; het spreekt in onvolledige, kromme zinnen; het spreken is minder goed verstaanbaar en soms begrijpt het kind niet goed wat er gezegd wordt.
Wanneer het begrip duidelijk beter is dan wat het kind zelf kan zeggen, spreekt men ook wel van een dysfatische ontwikkeling.
Een TOS kan samenhangen met andere stoornissen zoals slechthorendheid of een algehele achterstand. Maar het komt ook voor dat het kind slecht spreekt zonder dat er een duidelijke oorzaak voor gevonden wordt. De stoornis wordt dan internationaal ook wel SLI genoemd.
Een vertraging in de spraak- en taalontwikkeling geeft problemen: het kind wordt door de omgeving niet begrepen en het kan zich niet goed uiten. Dit kan tot gedragsproblemen leiden: het kind wordt opstandig en driftig als het niet begrepen wordt of het gaat zich juist steeds meer terugtrekken. Ook het leren op school kan moeizamer verlopen.
Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt uitgebreid de taal en de spraak van het kind. Daarbij wordt gebruik gemaakt van gestandaardiseerde tests
In de therapie wordt rekening gehouden met de totale ontwikkeling van het kind, de eventuele bijkomende problemen en de mogelijkheden in de omgeving van het kind.
De logopedische behandeling is indirect en/of direct.
Bij een indirecte therapie instrueert en begeleidt de logopedist de ouders of verzorgers in de manier waarop ze het kind tot spreken kunnen stimuleren.
Bij de directe logopedische behandeling traint de logopedist het taalbegrip en verbetert het luistergedrag; er wordt gewerkt aan de woordenschat, de zinsbouw en de uitspraak.
Bij kinderen die nog niet of nauwelijks spreken krijgen de voorwaarden om tot spreken te komen aandacht: het gebruiken van taal voor een bepaald doel, het imiteren van een ander, het oogcontact, het nemen van beurten. De ouders of verzorgers worden zoveel mogelijk bij de behandeling betrokken.
Het resultaat van de behandeling hangt onder meer af van de oorzaak van de stoornis. Als de problemen al op jonge leeftijd onderkend worden, zal de behandeling meer effect hebben dan wanneer het kind al ouder is.
Al voor hun tweede jaar kunnen kinderen bij de logopedist terecht.

2. Dysfasie. (lees minder)
Dysfatische ontwikkeling is een neurologische spraak-taalontwikkelingsstoornis waarbij het kind veel meer begrijpt van wat anderen zeggen dan het zelf kan zeggen. Uiteraard zijn er verschillende graden van ernst en wordt het beeld sterk gekleurd door de leeftijd. Een dysfatische ontwikkeling komt betrekkelijk vaak voor.
Kenmerken van een dysfatische ontwikkeling :
Discrepantie receptieve/productieve taal
Er is sprake van een disharmonisch profiel :het taalbegrip is beduidend beter dan de taalproductie. Dit betekent dat het niveau van begrijpen van de gesproken taal hoger ligt dan het spreken van het kind. Ouders geven vaak aan dat er ‘meer in het kind zit dan eruit komt’.
Moeilijkheden bij op-commando situaties.
Dysfatische kinderen kunnen doorgaans spontaan meer en kwalitatief beter vertellen dan in een situatie waarin verwacht wordt dat ze wat zeggen. Dit noemen we ‘op commando-problemen’. Hierdoor is praten in dialoogvorm vaak moeilijker dan spontaan spreken.
Verstoorde fluency (vloeiendheids-problemen)
Soms is er sprake van lichte woordvindingsproblemen. In andere gevallen merken we ernstigere problemen met het formuleren en het vasthouden van verhaallijnen.
Woordvindingsproblemen uiten zich bijvoorbeeld door het omschrijven van het doelwoord, plaatjes niet kunnen benoemen, het gebruik van stopwoorden (‘eh’, …) en lege taal (‘je weet wel’ , ‘dinges’, …). Soms vallen er pauzes en worden woorden weggelaten.
Vaak is er sprake van een telegram-achtige stijl van formuleren.
De verhaaltjes zijn ook vaak kort. Verhaalelementen kunnen moeilijk aan elkaar verbonden worden (zwakke liaison des idées). Kinderen vervallen dan vaak in opsommingen. Als luisteraar wordt het verhaal moeilijk te volgen en te begrijpen. 
Zinsbouw- en woordvormproblemen.
We merken een zwakke zinsbouw en veel grammaticale problemen: verbuigingen, vervoegingen, trappen van vergelijking, meervouden, verkleinwoorden, …
Vaak een zwak inprentings- en/of werkgeheugen
Startproblemen

3. Meertaligheid bij kinderen (lees minder)
Men spreekt van twee- of meertaligheid wanneer kinderen tijdens hun ontwikkeling in aanraking komen met meer dan één taal. Het gaat hierbij om kinderen van ouders met verschillende moedertalen die vanaf de geboorte tweetalig worden opgevoed. Daarnaast gaat het om kinderen van anderstalige ouders die thuis hun moedertaal leren en in kindercentra of op school het Nederlands als tweede taal.
Meertaligheid hoeft geen problemen te geven. Maar bij een wisselend, gebrekkig of onvoldoende taalaanbod in een bepaalde taal is de meertalige ontwikkeling soms een moeilijk proces. Meertalige kinderen kunnen dan een spraak- en taalachterstand hebben in het Nederlands. Ook wanneer er een stoornis of achterstand is in de eerste taal zal de tweede taalontwikkeling verstoord verlopen. Een taalachterstand resulteert vaak in een leerachterstand waardoor de schoolcarrière van deze kinderen gevaar loopt. Immers alle lessen worden aangeboden in taal.
Ook de uitspraak kan problemen geven, waardoor een kind moeilijk verstaanbaar is voor anderen. Dit kan resulteren in angst om te spreken en sociale isolatie.
Vroegtijdige onderkenning van de taalproblemen in de voor- en vroegschoolse periode en begeleiding van de kinderen en hun ouders, bevordert de taalontwikkeling en verbetert de kansen van deze kinderen.
Wat doet de logopedist?
Indien er sprake is van een spraak- en taalstoornis, is er logopedische begeleiding nodig. Deze begeleiding richt zich op communicatieproblemen en verstaanbaarheid in het Nederlands en de moedertaal. Voor dit laatste is samenwerking met de omgeving vereist. De hulp van een tolk wordt ingeroepen als dit nodig is om goed te communiceren met de omgeving van het meertalige kind. Logopedische behandeling van meertalige kinderen wordt alleen vergoed indien er sprake is van een stoornis in de eerste taal.

4. Fonologische stoornissen (lees minder)
Een fonologische stoornis is een taalprobleem: het kind heeft onvoldoende ontdekt hoe woorden in elkaar zitten. Kinderen met een fonologische stoornis kunnen meestal wel veel spraakklanken maken, maar tijdens het spreken doen ze dit niet (of niet altijd). Het kind vervangt bijvoorbeeld de k door een t, laat klanken weg of zegt ze op de verkeerde plaats in het woord. Soms hoort het de fout wel als iemand anders die maakt, maar denkt het toch dat hij het zelf goed zegt. Het begrijpt dan niet wat het bij het uitspreken van woorden moet veranderen. Corrigeren door de ouders helpt dan niet: het kind raakt daardoor soms juist gefrustreerd.
Wat doet de logopedist bij een fonologische stoornis?      
De logopedist zal meestal eerst onderzoek doen naar de taalontwikkeling.  De spraak wordt nauwkeurig geanalyseerd om precies te ontdekken hoe het kind praat. Op grond van de resultaten van dit   wordt er een voorstel voor behandeling gedaan.

5. Spraak (lees minder)
Taal en spraak zorgen ervoor dat wij met elkaar contact kunnen hebben, onze gedachten en gevoelens kenbaar kunnen maken en duidelijk kunnen maken wat we willen en denken. Wanneer iemand problemen heeft met het goed uitspreken van de taal, staat dit een goede communicatie in de weg. Dit kan allerlei gevolgen hebben, zoals gedragsproblemen en leerproblemen bij kinderen en problemen tijdens het werk of zelfs relatieproblemen bij volwassenen. Werken aan de uitspraak is werken aan een betere communicatie.
Problemen in de spraak kunnen samenhangen met andere stoornissen, zoals slechthorendheid, een herseninfarct of een algehele achterstand. Maar het komt ook voor dat iemand slecht spreekt zonder dat er een duidelijke oorzaak voor gevonden wordt.
Uitspraakproblemen
Er bestaan veel verschillende uitspraakproblemen. Niet altijd zijn de gevolgen voor de communicatie even groot.
articulatiestoornissen, waaronder lispelen en slissen
verstaanbaarheidsproblemen
nasaliteitsproblemen
dysartrie en verbale apraxie
spraakontwikkelingsdyspraxie
stotteren
broddelen.

6. Gehoor (lees minder)
Voor de communicatie is het belangrijk dat het gehoor in orde is. Om te leren spreken moet men niet alleen kunnen horen wat een ander zegt, maar men moet ook zichzelf kunnen horen. Ook is het nodig om goed te kunnen luisteren en te kunnen verwerken wat men hoort.
Auditieve problemen: problemen bij het nauwkeurig luisteren
Sommige kinderen hebben een normaal gehoor, maar zijn toch niet goed in staat om op het gehoor klanken te herkennen. Zij hebben bijvoorbeeld moeite met rijmen en kunnen geen versjes en liedjes onthouden. In een omgeving waar wat meer geluiden zijn, luistert het kind vaak niet goed. Soms merken ouders en anderen dit probleem ook aan het praten van het kind: het gebruikt bepaalde klanken niet of verkeerd en is slecht verstaanbaar.
Het herkennen van klanken en het waarnemen van de volgorde ervan zijn belangrijk. We noemen dit 'auditieve vaardigheden' of 'fonologisch bewustzijn'. Deze zijn niet alleen belangrijk bij het uitspreken van woorden en zinnen, maar ook voor het leren lezen en schrijven.
Middenoorontsteking
Middenoorontstekingen die gepaard gaan met vocht in het middenoor kunnen gehoorverlies veroorzaken. De grootte hiervan wordt vooral bepaald door de mate van vochtophoping in het middenoor. Het gehoorverlies is licht tot matig van aard (tussen 0 en 50 dB) en bedraagt gemiddeld 20 dB.
Middenoorontstekingen komen bij jonge kinderen veel voor; na 5 à 6 weken zijn de klachten meestal voorbij en het kind hoort weer goed. Kinderen die in de eerste levensjaren regelmatig middenoorproblemen met gehoorverliezen hebben, kunnen echter wel problemen krijgen in de spraak- en taalontwikkeling. Een kind leert de spraak en taal immers door te luisteren naar zijn omgeving en door het voorbeeld dat zijn omgeving aanbiedt te imiteren. Als het minder goed hoort, is het hiertoe onvoldoende in staat. In de spraak vallen dan vooral uitspraakproblemen op. In de taal kunnen woordenschat en zinsbouw zich minder goed ontwikkelen.
Wisselende gehoorverliezen kunnen op school de leerprestaties negatief beïnvloeden. En doordat het kind zich steeds moet inspannen om goed te horen, kunnen ook gedragsproblemen optreden.
Een medische ingreep, zoals het plaatsen van middenoorbuisjes (trommelvliesbuisjes), kan bij kinderen met een vaak terugkerende middenoorontsteking noodzakelijk zijn. De kno-arts verricht deze ingreep.
Wat doet de logopedist?
Als het gehoor zich herstelt, blijkt dat de achterstand in spraak- en taalontwikkeling in de regel ook ingehaald wordt. Dit inhalen neemt wel kostbare tijd in beslag. Bovendien kunnen, als het middenoor vaak ontstoken raakt, de spraak- en taalproblemen groter worden. Logopedische therapie is dan van belang, ook om leermoeilijkheden op school te voorkomen.
In de logopedische behandeling worden zowel het luisteren als de spraak en de taal getraind. Dit gebeurt zoveel mogelijk in een spelsituatie. Indien nodig leert de logopedist het kind door de neus te ademen. Dat is belangrijk voor een juiste functie van het middenoor. De behandeling heeft meestal een goed resultaat. Dit hangt af van de duur, de mate en de aard van het gehoorverlies.

7. Leerproblemen en leerstoornissen (lees minder)
Lees- en spellingproblemen en dyslexie
Werken aan taal is werken aan een betere communicatie. De logopedist is deskundig op het gebied van taal- en spraakproblemen. Kinderen met deze problemen hebben ongeveer 50% kans op problemen bij het leren lezen. Vaak is bij deze kinderen namelijk het bewustzijn van de spraakklanken, het foneembewustzijn, niet goed ontwikkeld. Dat bewustzijn is nodig bij het goed leren spreken, maar nog meer bij het leren lezen. Zeker als er in de familie taal- en/of leesproblemen voorkomen, is het belangrijk hierop te letten. De kans is dan groter dat het kind dyslectisch is.
Wat doet de logopedist?
Als gespecialiseerd logopedist zijn wij vaak al in een vroeg stadium betrokken bij deze kinderen. Wij kunnen onderzoek doen naar de problemen die het kind heeft. Soms is er nog helemaal geen sprake van dat een kind in het leerproces vastloopt, maar zijn er wel al risicofactoren te signaleren.
Wij kunnen kleuters begeleiden bij het ontwikkelen van de vaardigheden die het leren lezen en schrijven makkelijker maken. In de behandeling wordt dan niet alleen gewerkt aan de uitspraak (zie ook onder fonologische stoornissen) maar ook aan het verbeteren van de auditieve verwerking door met klanken en letters te werken. Dat kan een grote bijdrage leveren aan het voorkomen van leesproblemen en aan het verminderen van de gevolgen ervan.
Wij ondersteunen ook, in overleg met de school, kinderen die problemen krijgen bij het leren lezen.
Lees- en spellingproblemen hebben dus vaak verband hebben met logopedische stoornissen.
Dyscalculie
Dyscalculie is een stoornis die gekenmerkt wordt door hardnekkige problemen met het vlot en/accuraat oproepen van rekenfeiten en/of het leren en vlot/accuraat toepassen van rekenprocedures.
Dyscalculie is een probleem dat zich op verschillende manieren uit :
Kinderen met een rekenstoornis van het (semantische) geheugen type
Zij hebben voornamelijk problemen met het onthouden van de basiscombinaties tot 10 en met het snel en accuraat oproepen van rekenfeiten.
Kinderen et een rekenstoornis van het procedurele type
Zij gebruiken vaak onrijpe werkwijzen. Ze hebben vaak moeite met het uitvoeren van stappenplannen, met het toepassen van de begrippen die nodig zijn voor die stappenplannen en met de opeenvolging van stappen in complexe algoritmes. Het werkgeheugen geraakt bij hen overbelast. We zien hier vaak groepeerfouten (42+3=72), omkeringen (42-3=41), foute bewerkingen (42x3=45) of onvolledige procedures (42+19=51).
  Dyscalculie kan problemen veroorzaken in het dagelijkse leven zoals bij het schatten van tijd en afstand, bij het omgaan met geld (controleren van wisselgeld, budgetteren en plannen van uitgaven), en bij het meten en wegen.

8. Logopedie & tandheelkunde ( lees minder)
Slikken en Oromyofunctionele Therapie - OMFT
De vormgeving van de mond en de stand van de tanden en kiezen worden voor een groot deel bepaald door de functie van de spieren in en om de mond. Afwijkende mondgewoonten kunnen het evenwicht tussen die spieren onderling verstoren. Denk aan foutieve slikgewoonte, mondademen, duimen, vinger zuigen, speen zuigen, lispelen of slissen, tongpersen.
Oromyofunctionele Therapie (OMFT)  is een oefentherapie die gericht is op het herstel van een verstoord evenwicht in het functioneren van de spieren in en om de mond. De OMFT-behandeling kan gecombineerd worden met een behandeling bij de orthodontist of tandarts. In sommige gevallen wordt voor of na de plaatsing van beugels OMFT geadviseerd. Met een verwijzing door  wordt oromyofunctionele therapie vergoed.
Bij de onderstaande problemen kan logopedische begeleiding zinvol zijn:
Afwijkende mondgewoonten: wanneer na het wisselen van de voortanden nog sprake is van duim- of vingerzuigen, voortdurend de mond openstaat en/of er sprake is van afwijkend slikken met het persen van de tong tegen of tussen de tanden. Vaak ligt de tong ook tijdens rust en spreken zichtbaar tussen de tanden.
Wat doet de logopedist?
De logopedist doet een onderzoek naar de spierfunctie van de tong, de lippen, de kaak. Een goede afstemming van de spierkracht van de weke elementen is noodzakelijk voor een goede uitgroei van tanden.
Afwijkende mondgewoonten
Afwijkende mondgewoonten zijn gewoontehandelingen of bewegingen die negatief zijn voor de gebitsstand, het spreken, het gehoor en de gezondheid. Habitueel mondademen, afwijkend slikken en kauwen en duim- en vingerzuigen (en spenen) zijn afwijkende mondgewoonten. Verder vallen foutieve lipgewoonten, tonggewoonten en nagelbijten onder afwijkende mondgewoonten.
Habitueel mondademen is de gewoonte om in rust de lippen niet te sluiten. Er wordt daarbij niet door de neus geademd terwijl de neus wel doorgankelijk is. De neus wordt dan nauwelijks meer gebruikt en de mondspieren kunnen verslappen. Door mondademen droogt de mond uit. Er is daardoor minder speeksel in de mond aanwezig waardoor er veel minder geslikt hoeft te worden. Dit heeft tot gevolg dat de buis van Eustachius, die de neusholte met het oor verbindt, te weinig wordt geopend. De kans op oorontstekingen en andere gezondheidsproblemen neemt hierdoor toe.
Afwijkend slikken kan ontstaan door mondademen, maar komt ook voor als er gewoon door de neus geademd wordt. Bij afwijkend slikken ligt de tong vaak laag onder in de mond. De tong wordt dan tussen de tanden geperst. Doordat de tong telkens tegen de tanden duwt, kunnen die scheef gaan staan. Ook tijdens het spreken kan de tong tussen de tanden komen, met lispelen of slissen als gevolg.
Zuigen op een duim, vinger of speen is normaal bij een baby of peuter, omdat zij nog een grote zuigbehoefte hebben. Het geeft veiligheid. Daarna wordt het vaak een gewoonte en kunnen de tanden scheef groeien. Ook kan de vorm van de mond (het gehemelte) veranderen. Er is een grotere kans op een slappe mondmotoriek, waardoor afwijkend slikken kan optreden. Spenen en duim- of vingerzuigen moeten daarom zo snel mogelijk worden afgeleerd.
Wat doet de logopedist?
Afwijkende mondgewoonten kunnen worden behandeld met Orale Myofunctionele Therapie (OMFT). In 'De Springveer' zijn wij hiervoor opgeleid.
De logopedist zal de behandeling afstemmen op het kind. Als kinderen mondademen, moet dit zo vroeg mogelijk worden gestopt ter voorkoming van terugkerende verkoudheden en oorontstekingen. De behandeling zal vooral gericht zijn op lipsluiting en op het verstevigen van de mondmotorische spieren. Er worden oefeningen gegeven die de spieren van tong en lippen versterken en specifieke oefeningen om de neusademing te stimuleren.
Het is wenselijk het duimzuigen vóór de wisseling van de voortanden af te wennen, omdat het een nadelige invloed heeft op de gebitsontwikkeling. Het afwijkend slikken wordt voor of na de wisseling van de voortanden aangepakt. Daarnaast wordt de tongpositie zowel in rust als tijdens de spontane spraak getraind en zal de articulatie aan bod komen.
De oefeningen die tijdens de logopedische therapie gegeven worden, moeten thuis dagelijks herhaald worden. Dit vergt veel discipline en is voor jonge kinderen niet altijd goed op te brengen. Het resultaat van de therapie hangt echter samen met de mate waarin geoefend wordt. Daarom kan het zinvol zijn te wachten met logopedie tot het kind iets ouder is.